Begin 2017 heeft er een verandering plaatsgevonden in het bestuur van de Stichting Atelier Pieter d'Hont. Na zich vele jaren met veel succes te hebben ingezet voor het behoud en goed gebruik van het voormalig atelier van Pieter d'Hont, gevestigd in het bolwerk Manenburg gelegen aan de Wijde Doelen te Utrecht, hebben Wim van Willigenburg, voorzitter, en Geert van Doorn, secretaris en penningmeetser, zich teruggetrokken uit het bestuur. Zij zijn opgevolgd door Jaap Versteegh, voorzitter, Oscar van den Ende, penningmeester, en Floortje d’Hont, secretaris. Samen met Sebastiaan d'Hont en Dick Aerts vormen zij het huidige bestuur.

 

Pieter d'Hont werd in 1917 geboren. Om dit heugelijke feit te vieren wordt van 9 juli tot en met 3 september 2017 in Zwijndrecht een tentoonstelling georganiseerd getiteld 'Pieter d'Hont 100 jaar'.  Na Utrecht staan er in Zwijndrecht de meeste beelden van d' Hont in de openbare ruimte. In 1967 kwam met het realiseren van de fontein op de Koninginneweg  "arbeid, geloof, kunst, wetenschap, leven" een lang gekoesterde wens in vervulling. Andere werken van zijn hand zijn: " planten, wieden, oogsten" op de rotonde aan de Willem van Oranjelaan. " Gesprek" in het Develpark en "de Bizon" aan de Zwanendrift.

Openingsspeech door Jan Teeuwisse op 22 april 2017

 

Pieter d’Hont 100

In het jaar dat Rodin stierf, is Pieter d’Hont geboren. Pieter zag het levenslicht op 24 april – in Hilversum - en ruim een half jaar later - op 17 november – blies in Meudon de gelauwerde Rodin zijn laatste adem uit. Auguste en Pieter hebben dus ruim een half jaar gezamenlijk op deze aarde doorgebracht maar ik acht het vrijwel uitgesloten dat zij elkaar hebben ontmoet. 

Dat is wel het geval geweest met Pieters leermeester, Jan Bronner, die rond 1910 als jonge beeldhouwer naar Parijs toog om zijn held Rodin op te zoeken. Onderweg naar het atelier, in de Tuilerieën, kwam Bronner zijn landgenoot Piet Mondriaan tegen die hem adviseerde niet naar Rodin maar naar Archipenko te gaan. Met de West-Friese koppigheid Bronner eigen vervolgde deze zijn weg en bepaalde zo onbewust de loop die de moderne beeldhouwkunst in Nederland zou gaan nemen. Want het was de sculptuur van de Franse bodem, die van Rodin en in diens kielzog Bourdelle, Maillol en Despiau die de schuchter opkomende Nederlandse beeldhouwkunst zou inspireren en helpen emanciperen van eenvoudig ambacht tot autonome beeldende kunst. Die jonge beeldhouwkunst in Holland was uit het ambacht voortgekomen, uit de werkplaatsen die architect Cuypers in de tweede helft van de 19e eeuw had ingericht. Die beeldhouwkunst stond in dienst van de architectuur en liep mee in de ontwikkeling ervan. Na Cuypers kwam Berlage die samenwerkte met de beeldhouwers Zijl en Mendes da Costa; en vervolgens was daar de Amsterdamse School, met Krop, Rädecker en Polet. Aan het experiment van Archipenko en Brancusi had men hier nog geen boodschap, eerst maar eens het vak leren.

Bronner vertelde aan zijn academieleerlingen over zijn bezoek aan Rodin, over de hand van de meester die hij had geschud en toonde de hoed die hij van hem had gekregen. En Bronner las voor uit de geschriften van Rodins secretaris, Rainer Maria Rilke. Archipenko was in Bronners Beeldhouwklas synoniem voor ‘decoratief’ en dodelijker kon een adjectief niet zijn. Het ging in de beeldhouwkunst immers om de verheven boodschap die gebracht moest worden, om de zinvolle bijdrage aan het maatschappelijk domein. Bertus Sondaar kwam van de progressieve Quellinusschool naar de Rijksakademie en kreeg bij de presentatie van zijn werk van Bronner te horen: ‘Bijna net zo mooi als Archipenko, mijnheer Sondaar!’ Hoogtepunt van de Nederlandse Rodin-verering was de tentoonstelling Rondom Rodin die in 1939 in het Stedelijk in Amsterdam werd geopend. Het was het grootste overzicht van de moderne Franse beeldhouwkunst dat ooit is samengebracht en het heeft een verpletterende indruk achtergelaten op het Nederlandse publiek én de nog geen 70 beeldhouwers die Nederland toen telde. Ook Pieter, die midden in de proefkamp voor de Prix de Rome zat, is verschillende keren naar Amsterdam gereisd om daar de Denker van Rodin, de Mediterannée van Maillol en de Assia van Despiau te bewonderen.   

 

In het onderwijs van Bronner waren de bouwplastiek van Chartres, de tempelsculptuur van de Borubudur en de monumentale expressie van Rodin, de pijlers waarop het rustte. In die wereld werd de jonge Pieter d’Hont gekneed in het vak toen hij in de tweede helft van de jaren ’30 de Rijksakademie doorliep. Ambachtelijk met de nadruk op het direct hakken in steen, conceptueel als de vertolking van een beeldtaal die voor eenieder toegankelijk moest zijn en gericht was op de verheffing van de gemeenschap. In die sfeer was ook de opdracht voor de Prix de Rome gesteld: een poort die toegang gaf tot een moestuin. Pieter won de zilveren medaille, werd groots in zijn stad Utrecht onthaald maar kon door het uitbreken van de oorlog zijn studiereis naar Mestrovic in Zagreb – de Rodin van de Balkan – niet maken. Als je Pieters oeuvrecatalogus doorbladert, kun je vaststellen dat hij de laatste representant is van de Nederlandse bouwbeeldhouwkunst die zijn hoogtijdagen heeft beleefd gedurende het interbellum. Met zijn reliëfs voor het RIV in Bilthoven heeft Pieter die traditie tot eind jaren ’70 levend gehouden.   

 

De beeldvorming. Toen ik de portretfoto zag die Paul Huf in 1997 maakte voor de grote monografie die bij uitgeverij Het Spectrum over Pieter verscheen, realiseerde ik me voor het eerst hoeveel overeenkomsten er zijn tussen de Meester van Meudon en de Meester van Manenburg. Pieter staat op die foto als de oerbeeldhouwer zoals die ons sinds eeuwen is overgeleverd: een robuuste verschijning met volle baard, een moker in de vuist; een noest bergmassief waartegen nerveuze bewonderaarsters zich gaarne vleien; de ambachtsman-kunstenaar; een primitief in de moderne tijd die zich door instinct en authenticiteit moeiteloos beweegt in de meest uiteenlopende kringen: van FC Utrecht tot het Koninklijk Huis, van Anton Geesink tot kardinaal Alfrink, van Johnny Kraaykamp tot Fentener van Vlissingen. En daarmee is slechts een handjevol van de illustere lieden genoemd, dat hier op de draaischijf heeft plaatsgenomen. 

 

Rodin en d’ Hont. Alle twee zijn het stieren, Rodin een blonde Aquitaine, Pieter eerder de Amerikaanse bizon die hij levensgroot heeft vereeuwigd. Wat Rodin en d’Hont verbindt, is hun eenvoudige komaf; Rodins vader was politieman, die van Pieter werkte bij het spoor. Trots op die herkomst bleven zij voor de rest van hun leven en als er werd gefeest, dan was iedereen welkom: de burgemeester én de steenhouwer. Rodin en d’ Hont werden beiden ambachtelijk geschoold en hebben jarenlang op de steiger gestaan. De jonge Rodin werkte aan de beurs van Brussel, Pieter hakte het timpaan van het Utrechtse stadhuis en de reliëfs aan het hoofdkantoor van de SHV. Ze zouden hun leven lang zweren bij, koketteren haast met dat ambacht. In de kleine tien jaar die mijn vader in dit illustere atelier heeft gewerkt, heeft zich een stille strijd afgespeeld tussen de rustieke behoudzucht van Pieter en de voorliefde van Arie voor gereedschap dat zijn leven veraangenaamde. Pieter sleep zijn beitels aan een enorme steen die log door een bak vol water draaide. Arie bediende zich van een elektrische machine met maar liefst twee slijpstenen. Zodra die aanging, verliet Pieter misnoegd zijn atelier maar de broederlijke vriendschap bleef ongeschonden. Overigens was het wel zo dat Pieter, die molensteen natuurlijk ook meer dan zat, zijn beitels heimelijk naar een smid bracht.

 

De belangrijkste les van Rodin was: ‘Travailler. Il faut toujours travailler’. Bovenmenselijke werklust verbindt Rodin met Pieter. Het werk, de heilige roeping gaat boven alles, ook het privé moet wijken. Tussen 1940 en 1997 – 57 jaar lang - heeft Pieter in dit atelier doorgebracht. Na een fors ontbijt stapte hij op de fiets en trok de atelierpoort achter zich dicht om die weer te openen als het licht ging minderen. Een telefoon heeft hier nooit gestaan. Daarvoor diende Café De Poort waar Pieter voor de zekerheid ook een kleine voorraad wijn had opgeslagen. 

 

Rodin en d’ Hont waren beeldhouwers die zich als zelfstandig gevestigd kunstenaar wisten te handhaven. En niet alleen handhaven, zelfs roem en rijkdom wisten ze te vergaren. En wat hen daarbij typeert: zij deelden hun fortuin royaal met velen. Van Rodin is bekend dat hij van zijn leerling-uitvoerders werk aankocht en hen voordroeg voor opdrachten en tentoonstellingen. Diezelfde grootmoedigheid tekende Pieter en dat uitte zich op alle terreinen. Hij kocht werk van jonge collega’s en beijverde zich voor hun opdrachten. Ik heb Pieter zien resideren in café De Poort waar een bont gezelschap van kleine luiden uit de Twijnstraat, medewerkers van het Centraal en het Aartsbisschoppelijk Museum en patiënten van de Willem Arntsz Stichting zich bij hem meldden. Pieter deelde de mooiste wijnen met iedereen aan tafel, ook als je nog maar 12 jaar oud was en ik dank aan hem een vroege carrière op dit gebied (en een voortreffelijke smaak). 

 

De oeuvres van Rodin en d’ Hont laten een ontwikkeling zien van toegepast en gehouwen naar autonoom en gemodelleerd met in dat laatste segment hoofdrollen voor de beelden in het openbaar en de portretopdracht. Met Mari Andriessen staat Pieter aan de top van de beeldhouwers met werk aan de openbare weg in Nederland. 

Pieter werd als kunstenaar gevormd door Bronner. Daar leerde hij de mores van de beeldhouwer en werden hem de ogen geopend voor wat waarachtig was en wat vals. Maar als volwassen kunstenaar vond Pieter zijn voorbeelden in de Franse, Belgische en Italiaanse Scholen, in Rodin, Wouters en Manzù.

Pieter behoorde tot de generatie van Esser, Grégoire en Meefout maar hij voelde zich verwant met de oudere generatie, die van 1900. De beeldhouwers van de monumentale figuratie die tot bloei kwam in de naoorlogse decennia: met de Dokwerker van Andriessen, de Wibaut van Han Wezelaar, de Wilhelmina van Charlotte van Pallandt en de Laïna van Sondaar. Pieter leverde zijn bijdrage aan deze iconische reeks: ik denk aan zijn fonteinfiguren voor Zwijndrecht, het Gesprek, de Amict, de Vrouw met stola, de portretten van zijn ouders, Sebastiaan en Sabine, Leo Jaller, Toos Kolk, Otto de Kat, Sjollema en vele anderen.     

 

In het atelier waar we nu staan, is een ongelooflijk omvangrijk, veelzijdig en kwalitatief hoogstaand oeuvre tot stand gekomen. Daarbuiten, in de stad is een route met 44 werken van Pieter d’ Hont af te leggen; in alle provincies van het land kom je Pieters werk tegen en zijn portretten en kleinplastiek bevinden zich in tientallen openbare en particuliere collecties. Dat enorme oeuvre maar ook de achtergronden ervan, kan sinds kort worden geraadpleegd op de website die Sebastiaan in samenwerking met Willem Noyons heeft gemaakt en die een unieke wereld oproept. Ik feliciteer de Stichting die dit bijzondere atelier beheert en levend houdt want naast de opslag van Pieters werk, wordt hier dagelijks gewerkt door de beeldhouwers Dick Aerts en Amiran Djanashvili. 

 

U allen hartelijk gefeliciteerd met 100 jaar Pieter d’ Hont maar ik sluit af met een noodkreet. In dit atelier is in de jaren ’70 een reliëfwand ontstaan, een uniek kunstwerk dat de geschiedenis van de westerse gezondheidszorg in hoofdstukken verbeeld. Tien jaar lang hebben Pieter d’ Hont en Arie Teeuwisse, in opdracht van het Rijk, hun beste krachten gegeven aan dit monumentale opus in blanke moezelkalksteen. Vanaf 1979 tot voor kort is het reliëf bepalend geweest voor de hal van het RIVM. Datzelfde RIVM gaat nu verhuizen naar een nieuw gebouw en heeft besloten de reliëfs achter te laten. Als niet-geïdentificeerd meubilair van het vastgoed is het mee verkocht aan een serumfabriek terwijl het zich naar onze overtuiging uitstekend laat verhuizen naar en inpassen in de nieuwe bestemming. Edoch. Voor het nieuwe gebouw is men al in zee gegaan, en wel met de tegenwoordig kennelijk onvermijdelijke Daan Roosegaarde. Ooit komt er een moment dat ook Roosegaarde’s nageslacht zal moeten strijden voor het behoud van zijn werk maar vooralsnog moeten wij aan de bak. We kunnen op zijn minst de ambtenaren schrik aanjagen.

Proost!     

Foto: Panorama tentoonstelling 100 jaar Pieter d'Hont

Wandeling Wordbites bij tentoonstelling 100 jaar Pieter d'Hont